In onze gedachten is het helemaal niet zo lang geleden dat we in Polen waren. Maar deze foto maakte ik toch al in 2007, in Krakau.
Op de markt werd druk verhandeld en zaken afgewogen. Nog niks digitaal, maar met een een ouderwetse weegschaal met mooie koperen gewichten.
Ik vind het wel wat hebben, het heeft is ambachtelijks. Maar ook iets knus. Of is het de leeftijd, die me parten gaat spelen? Is alles wat ouderwets is, ook beter? Nee, zeker niet. Niet maar die digitale weegschalen van nu blijven voor mij onpersoonlijke dingen.
Maar ik schat zo in dat er nu ook in Krakau modern en digitaal gewogen wordt. De nieuwe tijd, net wat je zegt….
Al eerder waren we in Veenhuizen, waar in vroeger tijd landlopers en paupers woonden en te werk werden gesteld. Maar dat was in de C-tijd en konden we het museum niet in.
Nu dat weer wel kon, hebben we niet geaarzeld om een bezoek te plannen. Veenhuizen is sowieso een mooie plek om naar toe te gaan. Het ademt een heel speciale sfeer en je kunt er heerlijk wandelen.
LocatierEsserheem
Maar dit keer kwamen we speciaal voor het “Tweede Gesticht” waar het gevangenismuseum is gehuisvest.
Interieur Esserheem
Al bij binnenkomst kreeg ik meteen al een soort van claustrofobisch gevoel. De sluis gaat dicht achter je en voor je gaat hij nog niet open. Eerst een film over hoe in vroeger tijd misdaad beoordeeld, veroordeeld en gestraft werd. Toen was stelen een veel ernstiger vergrijp en kon je diefstal met de dood bekopen.
Dat diefstal het enige alternatief was, omdat geen werk, geen geld, geen sociaal opvangnet ook geen enkele mogelijkheid bood om aan eten te komen, dat ontging de rechterlijke macht. Gelukkig was niet elke rechter even hardvochtig, maar dat ze strenger waren dan we nu zien, dat staat buiten kijf.
Erg weekhartig moest je als slachtoffer ook niet zijn. We keken in slaapkooien, waar het woord comfort niet op van toepassing was. We zagen ketenen en lazen over regels die toen golden. Het was een hard, heel hard leven daar in Veenhuizen.
We kregen ook een “rode pannen”rondleiding in locatie Esserheem, die voor heel zware criminelen gebruikt werd. De rondleidster vertelde hoe het aan toe gaat bij aankomst van gedetineerden.
We mochten de isolatiecel bekijken en ik vroeg me af hoe het zou zijn om daar in totale afzondering te moeten zitten. Mij benauwde het al met een groep en de deur nog open.
In ieder geval was ik blij weer naar buiten te kunnen en te genieten van een wandeling in alle rust en vrijheid.
Ook deze vakantieherinnering heeft met eten te maken.
In Istanbul zagen we zowat op elke straathoek zo’n leuk bakkerskarretje met Simit. Er viel niks te kiezen, er waren alleen deze knapperige zacht zoete broodringen met sesamzaad. Wijzen, vingers opsteken om aan te geven hoeveel je er wilde en wat muntjes op je hand leggen om te betalen.
Heerlijke snacks om zo even op te eten, op een bankje in de zon. Net genoeg om de ergste (nou ja…) honger te stillen.
Ik weet niet hoe het nu in Istanbul zal zijn. Zijn deze verkopers er nog of heeft het plaats gemaakt voor ander straatvoedsel?
Hier in Nederland koop ik de broodjes nog wel eens bij de Turkse bakker. En dan even terug denken aan die vakantie toen, al weer lang geleden 😉 😉
In ons gezin werd gespaard. Met dubbeltjes, stuivers, in busjes en potjes. En na verloop van tijd werden die potjes geleegd, geteld, rolletjes gemaakt en bij slager of kruidenier omgewisseld voor “groot” geld.
Natuurlijk spaarde ik ook op school. Met een kleine bruine envelop, waarin elke week een muntje ging. Voor het schoolreisje, maar ik dacht ook dat er geld op een rekening werd gezet.
En ik had een eigen spaarpot, van de Spaarbank te Rotterdam. Die kon alleen open met een speciale sleutel die ik vanzelfsprekend niet had. Daarvoor moest ik naar de bank. Het bedrag wat er in de spaarpot zat, werd op mijn spaarbankboekje gezet.
In het Streekmuseum Jan Anderson in Vlaardingen bekeken we naast de eigen collectie ook een verzameling spaarpotten. Die groene spaarpot van toen stond er ook. Maar daar vergat ik een foto van te nemen.
Wel fotografeerde ik deze spaarmogelijkheid. Een voorloper van de “automatische bijschrijving”. Je kreeg als rekeninghouder een kaart. Die kaart stopte je in de gleuf, wierp een dubbeltje in het gleufje boven en draaide aan de slinger rechts. Dan werd het dubbeltje op je kaart bijgeschreven.
Handig toch? Konden je ouders meteen controleren of je dat dubbeltje niet aan snoep had uitgegeven 😉
In Istanbul waren we met de jongens in 1999. Dat is in de vorige eeuw, dus echt heel lang geleden. Als ik de foto’s weer bekijk, zie ik hoe we allemaal veranderd zijn. Onze jongens zijn allang geen pubers mee, maar beginnen zelfs “middelbaar” te worden. Over onszelf wil ik maar niet schrijven 😉
Maar wat hebben we nog leuke herinneringen aan die paar dagen dat we er waren.
Het slenteren over markten, door de bazaar, varen over de Bosporus, tramritjes en een taxirit met een wel heel erg avontuurlijke chauffeur. Maar we overleefden het gelukkig.
En dan natuurlijk het heerlijke gebak. Vlakbij ons hotel vonden we een bakkerij, waar we ’s avonds nog een klein kopje koffie gingen drinken. Natuurlijk vergezeld van wat stukjes heerlijke baklava of hoe de andere gebaksoorten ook mogen heten. Met recht zoete herinneringen.
De tip die Emie gaf, liet ons ook naar Vlaardingen rijden. Om er een bezoekje te brengen aan het Streekmuseum Jan Anderson. Van buitenaf straalt de nostalgie je al tegemoet en binnen is het een feest van herkenning.
Een oude drogisterij, met blikjes en pleisters in oude vitrines. Een schildersbedrijfje, altijd leuk om te zien als schildersdochter. De blikken, de kwasten, meteen rook ik weer terpentijd en lijnolie.
In de schoenmakerij dacht ik weer terug aan de verhalen van mijn moeder, over mijn opa. Hoe hij achter zijn tafel gebogen zat en oude schoenen weer als nieuw maakte. Natuurlijk herkenden we de oude schoolbanken en niet te vergeten het snoepwinkeltje.
Boven konden we zien hoe onderduiken geweest moest zijn. Lazen we over de mensen die het wel gered hebben, over de moed en zwijgzaamheid van de mensen die onderduikers verborgen hielden.
Het is beslist de moeite waar om eens een kijkje te nemen in Vlaardingen. Deze collectie moet toch echt bewaard blijven.
Vorige week vertelde ik dat we naar de bollenvelden op Goeree-Overflakkee geweest waren. Het was prachtig. Alles werkte mee, het weer, de zon, de route die Leo had uitgevogeld en natuurlijk die honderdduizenden tulpenbollen.
Het leek wel of er nog meer velden waren als het jaar ervoor. Tot die tijd dacht ik altijd dat alleen de streek rond Lisse en Sassenheim bollenvelden hadden. Maar er zijn er in Nederland nog veel meer. Ook nog in Flevoland en in Noord Holland.
Ik vraag me af of het nog echt Hollandse plaatjes zijn, want ik zag ook al eens dit soort foto’s uit Japan. Maar ja, die hebben wel vaker wat nageaapt.
Maar waar je ze ook vindt, waar je er naar kijkt, het blijft een prachtig en boeiend plaatje. Lange rijen tulpen of narcissen, hyacinten, zo ver je ogen kunnen kijken.
En dan ineens zie je, tussen al het eindeloze rood, een stoere gele tulp staan. Zo van “kijk mij nou eens”. Nou vooruit, ook een foto van zo’n opstandige dwarsliggert.
Op onze reizen hebben we veel mensen ontmoet. En ook ontzettend veel kinderen. Soms kinderen in heel andere omstandigheden dan wij hier (nog kennen.
Kinderen die niet over een arsenaal aan speelgoed beschikten. Soms kinderen die duidelijk niet elke dag onbeperkt uit de voorraadkast konden pakken.
Maar zonder uitzondering waren ze lief, aardig, vrolijk en vooral nieuwsgierig. En weer zou ik zo graag willen weten hoe het nu met ze gaat. Wat ze geworden zijn, hoe ze zich in het leven staande houden en wat hun dromen waren en of die zijn uitgekomen.
Jammer, maar dat zullen we wel nooit te weten komen.
In 2001 kwamen in Vietnam de kooplieden te paard naar de markt in Sapa.
Stevige paardjes, die geen moeite hadden met de stoffige wegen vol kuilen en gaten. Die zonder moeite op smalle paadjes galoppeerden, aangemoedigd door luid schreeuwende berijders.
De vrouwen met hun mooie geborduurde kleding kwamen vaak te voet. Zij droegen dan ook een deel van de last aan koopwaar in manden of zakken op hun rug.
Hoe zou het er nu aan toegaan? misschien is er wel niet veel veranderd, want een auto is er ook niet echt handig. Of zouden de wegen inmiddels ook auto-fähig zijn?
Sommige boeken trekken je meteen in het verhaal. Bij Het lied van de Mistral ging het een beetje moeizaam. Waar dat aan ligt. Ik weet het niet. Er lopen wel vaker verschillende lijnen door elkaar in een verhaal.
Olivier Mak-Bouchard: Het lied van de Mistral
De ik-figuur woont met zijn vrouw Blanche in een klein vlekje in de Provence. Ze hebben weliswaar goed contact met de buren, maar komen er niet regelmatig over de vloer.
Tijdens een noodweer stort een deel van een muur in op het terrein van de buurman. In de stromende regen komt hij de verteller halen. Waarom? Dat is het begin van een vreemde ontwikkeling.
Buurman denkt dat er een bron is en begint met graven en de schrijver helpt mee. Enigszins tegen wil en dank, maar steeds enthousiaster. Ze ontdekken inderdaad een waterbron. En water is meer dan goud in het droge gebied.
Was die bron er altijd al? Het lijkt er niet op. Maar uit welke tijd is ie dan wel? En moeten ze het melden bij de autoriteiten? Want er worden ook oude voorwerpen gevonden. Hebben die archeologische waarde? En dat water, kun je dat drinken of zou het alleen geschikt zijn voor bewatering van de kersenboomgaard? zoveel vragen zonder duidelijk antwoord.
Het wordt steeds geheimzinniger, vreemder en soms lijken sagen, legenden en koortsdromen door elkaar te lopen. Totdat een natuurramp leidt tot een onoverkomelijk einde.
Ik vond wel een mooi, maar wat bevreemdend boek, met bespiegelingen over de natuur van de streek en diverse facetten van de geschiedenis.