Niet al te ver

Vorige week wilden Leo en ik een stukje wandelen. Vlakbij huis is dat niet zo moeilijk, maar ja… verandering van spijs doet eten.

Dus nadat onze hulp er was, pakten we de auto en reden we naar Lekkerkerk, naar het Loetbos. Vaak langs gereden, maar nooit echt geweest. En dat is heel onterecht, want het is een mooi gebied. Met veel slootjes, vogels en mooie wandelpaden.

Nog steeds loop ik niet zo goed, dus was ik blij dat er her en der bankjes staan en we even uit konden rusten. Het was trouwens bloedheet, dus ook dat maakte dat we geen lange kilometers weg liepen. Maar kijken wat er om je heen groeit, fladderende vlinders bewonderen en luisteren naar de vogels en de zoemende insecten, maakte dat we een heerlijke ochtend hadden.

En omdat we toch in de buurt waren, gingen we even op bezoek bij een oude vriend van Leo. Hij was verrast en liet de schildersklus waar hij mee bezig was, de schildersklus. En maakte koffie en broodjes die we in de tuin samen met zijn kleinzoon opaten. En zo hadden we een heerlijke lome dag.

Boek

Vroeger las ik vaker boeken in het Engels of Frans. Maar op een bepaald moment werd ik blijkbaar wat luier of gemakzuchtiger en koos ik voor vertalingen.

Een vriendin had dit boek dubbel en gaf het tweede exemplaar aan mij. Ze is lerares Engels en een echte boekenwurm, dus geen wonder dat haar boekenkast volstaat met allerhande Engelse boeken.

Het duurde niet lang voor ik gegrepen was door het verhaal. Het speelt tegen de achtergrond van York (Eborby in het boek). Een stadje met een lange geschiedenis van de Romeinen, Middeleeuwen tot nu. Een decor van smalle en donkere straatjes, waar je gemakkelijk in kunt verdwalen. En waar rare dingen gebeuren. Vreemde moorden, naakte lijken op vreemde plaatsen. Bepaald huiveringwekkend, maar niet zo dat ik er niet van kon slapen 😉

Ik kwam niet in al te grote taalmoeilijkheden. Kate Ellis schrijft vlot en houd je bij de les. In het begin kwam ik wat uitdrukkingen tegen die ik wel begreep, maar toch niet helemaal thuis kon brengen. Maar gelukkig is er tegenwoordig Google Translate, zodat je snel even kunt zoeken wat het nou precies betekent.

Jammer genoeg zijn er nog geen boeken van Ellis in het Nederlands vertaald. Maar wie zijn Engelse leesvaardigheid weer op wil rakelen… Je weet tenslotte maar nooit waar dat nog eens goed voor is 😉

Reclame

De TV-reclame duurt me vaak veel te lang. En dat niet alleen, het is schreeuwerig, vaak uiterst dom en onnodig. Want we hebben tenslotte alles al. En zouden we niet een beetje minder gaan doen? Nou dan!

Maar toch, zo nu en dan vind ik sommige reclames wel grappig. In ieder geval heel creatief bedacht. Zoals deze. Van zo’n stapel burger broodjesmonsters word ik vrolijk. Lekker zomers, weer eens wat anders dan anders.

En ik bewonder het brein dat zich hierop heeft mogen uitleven. Alle broodjes net iets anders. Met grote scheve tanden, een lange tong en uitpuilende oogjes. Dit vind ik nou goed bedacht.

Maar kopen? Nee, wij hebben geen barbecue en eten zelden burgers. Maar wie wel wil, kan deze week dus terecht bij de grootgrutter 😉

In het oog springend…

Meestal als we er naar toe gaan, kijken we niet zo naar het gebouw zelf. We zoeken de ingang, willen snel geholpen worden en dan ook snel weer weg. Je komt tenslotte niet voor je plezier in het Oogziekenhuis in Rotterdam.

Afgelopen dinsdag moest Leo er zijn voor controle. En hij ging alleen, want in verband met Corona werd dat aangeraden. Ik was wel mee, maar wachtte met een drankje en een boek op een terras in de schaduw.

Leo was al snel klaar en gelukkig was alles goed. Pas weer over een jaar terugkomen. Pak van zijn en mijn hart.

Toen Leo appte dat hij bijna klaar was, liep ik alvast de goede richting uit. En toen viel me op hoe fraai dat gebouw is. Mooi metselwerk, statige bogen en strakke uitstraling.

Gek toch, dat je ineens met heel andere ogen naar zo’n gebouw kan kijken.

Pareltje

En na een lange zoektocht vond ik op YouTube dit. Geen filmpje, maar een statisch beeld. Adèle Bloemendaal zingt uit het programma “Dat ik dit nog mag meemaken” een tekst van Willem Wilmink op muziek, ja natuurlijk, van Harry Bannink.

Onderzoeken

Na alle commotie over de C-crisis begint nu een periode waarin we het ene na het andere onderzoek voorgeschoteld zullen krijgen.

Bron: Google foto’s

Nog tot in lengte van dagen zullen wetenschappers en pseudo-wetenschappers zich verdiepen in allerlei aspecten van die ziekte.

Over de invloed op ons leven, de gevolgen van het thuiswerken, hoe veel minder of juist hoeveel meer ziektes de kop op staken of verdwenen leken te zijn.

Hoe het echtscheidingscijfer beïnvloed is, wanneer de geboortepiek plaats zal vinden, waarom men beter dit wel of dat weer niet zou hebben moeten eten, drinken, gebruiken, laten staan.

Het moet een eldorado zijn voor al die snuffelaars in de cijfers en trends. Ze zullen er voorlopig nog wel een tijdje zoet mee zijn.

Beschermd

Een dooie knotwilg langs de kant van het pad. Geen groen blaadje te zien… of toch? Ja daar, tussen wat zo op het eerste gezicht twee armen lijken. Wat er groeit is geen wilgenblad, maar een zaailing van een eik.

Ik ben geen bioloog, maar weet wel dat zaadjes door de wind meegenomen kunnen worden. Maar een eikeltje? Dat lijkt me sterk. Hoe komt zo’n eikel dan in die boom terecht?

Ik loop verder en denk er niet meer aan. Maar thuis zie ik de foto en dan verwonder ik me er weer over. Zo’n raadsel kan zich in mijn brein nestelen en groeit daar dan uit tot een “probleempje”. Maar ineens wist ik het….

Nou ja, ik denk dat ik het weet. Kinderen hebben er een eikeltje verstopt… Of misschien was het een gaai, die het een mooie plaats voor zijn wintervoorraad vond. Of zou het een eekhoorn geweest zijn? Dat lijkt me onwaarschijnlijk, want die zie hier niet in de buurt.

Ach, wat kan het me verder schelen. Het is één van de vele raadselen van de natuur….!

Zeep

Vroeger, toen ik bij mijn tante in Brabant logeerde, liet ze me een keer haar voorraadkast zien.

Tante had in de oorlog in een Jappenkamp gezeten, bittere armoe en honger geleden. Misschien daarom wilde ze altijd een flinke voorraad in huis hebben. Die kast stond vol zelf geweckte potten bonen, stoofperen en kersen. Er lag rijst, macaroni, bloem. In mijn kinderogen leek het wel een winkel.

Maar er was ook een plank met stapels lucifers. Dat moest je ook altijd ruimschoots in huis hebben, vond tante. Want dan kun je altijd een vuurtje maken.

En zeep, dat heb je ook nodig. Dus lagen er grote blokken Sunlight zeep en stapels Lux toiletzeep. Het maakte een overweldigende indruk op me.

Toen de C-crisis begon, heb ik mijn voorraad eens geïnspecteerd. Ik kocht wat blikken, vulde rijst en pasta aan. Maar niet in zo’n grote hoeveelheid als tante.

En natuurlijk keek ik ook naar mijn voorraadje lucifers. Dat was nog wel voldoende. En de zeep behoefde ook geen aanvulling. In de loop van de tijd heb ik nogal wat stukken verzameld, gekregen of zelf gekocht.

Trouwens, sinds we vloeibare zeep gebruiken, slinkt mijn voorraad niet noemenswaard.

Maar nu gebruiken we weer gewoon zeep. Eigenlijk best fijn. Zacht schuimend en lekker geurend. Ik kan nog wel een tijdje vooruit. In elke kast ligt nog wel een geurend stukje 😉