Sneeuw

De oude vrouw staart naar de tuin, die bedekt is met een dunne witte laag. Sneeuw, zij vindt het wel leuk. Maar op de radio en tv is het gezeur niet van de lucht. Op voorhand worden weerswaarschuwingen gegeven, het advies om thuis te werken, niet de straat op te gaan. Om het kwartier verschijnt een jonge man in beeld, die de stand van de files meedeelt, zeer bezorgd kijkt en en passant om foto’s vraagt van deze barre weersomstandigheden.  

Ze schenkt nog een kopje koffie in en denkt terug aan vroeger. Toen was alles beslist niet beter, maar deden de mensen toen ook al zo overdreven over een paar vlokjes sneeuw? Plotseling moet ze denken aan die winter van 1963, die verschrikkelijke Elfstedentocht met Reinier Paping. Zij zat toen nog op de middelbare school. Er was geen sprake van dat je het slechte weer als excuus kon gebruiken. Je had eenvoudig maar op tijd te komen en… iedereen was er ook. Leerlingen zowel als leraren. Een dag na die Elfstedentocht trouwde haar nichtje. Er was wat zenuwachtig gedoe omdat er nog snel een bontstola moest worden geregeld, maar verder niets. De taxi’s waren op tijd, de ambtenaar van de burgerlijke stand was paraat en het feestje ’s avonds ging gewoon en tot in de late uurtjes door.
Tegenwoordig is heel Nederland in paniek bij een beetje sneeuw. Toch zijn de moderne auto’s van alle technische snufjes voorzien, zoals ABS, rembekrachtiging, winterbanden, airco en verwarming. Is er rijbaansignalering en wordt er regelmatig gestrooid. Maar de FNV adviseert om thuis te blijven.  En op het moment dat er meer mensen van het openbaar vervoer gebruik willen maken, haalt de NS “als service” een aantal treinen uit de dienstregeling.
Maar wie zijn dan straks al die hordes die naar de wintersport gaan? Bij voorkeur op vrijdagavond, zodat er geen dag “sneeuwpret” verloren gaat. Is dat dan anders, kunnen ze dan wel ineens de barre omstandigheden trotseren?
Ach, ze gaat maar eens een boterhammetje klaarmaken. Misschien is ze wel te oud om het allemaal nog te kunnen begrijpen.

Sprookjes

   Wie van sprookjes verfilmingen houdt, moet deze maand de uitzendingen van de Duitse  TV goed in de gaten houden. Dit jaar is het namelijk precies 200 jaar geleden dat het eerste sprookjesboek van de gebroeders Grimm uitkwam. En natuurlijk wil men daar in Duitsland aandacht aan besteden.
Hier staat een overzicht van alle sprookjesfilms die deze maand worden uitgezonden.

Niet alleen de sprookjes van  Grimm komen aan bod, ook sprookjesfilms worden vertoond. En vooral rond de Kerst is er veel te zien.

 

Advent

Adventkalenders zijn hier niet zo gebruikelijk, maar wel in Duitsland.
Daar kochten wij ze voor onze (toen nog) kleine kinderen. Meestal zat er snoep in, dat dan dagelijks voor het tandenpoetsen mocht worden opgegeten.
Na een kinderpartijtje bleken ineens alle chocolaatjes verdwenen te zijn, tot groot ongenoegen van onze kinderen.
De adventkalenders hier kun je zelf maken. Voor mij heeft dat geen zin, maar misschien  staan er nog snel te maken ideetjes bij. (Klein)kinderen doe je er vast veel plezier mee!
 

 

Spelen op straat

Op straat spelen, dat kon nog in mijn jeugd. (Bijna) geen auto’s, nauwelijks verkeer in onze straat. Er was ruimte genoeg.
We balden tegen de muur, sprongen bokje, rolschaatsten of deden “koppetje duikelen” om een hek.
Nu hebben de kinderen nauwelijks nog ruimte, moeten ze opletten voor de kostbare auto’s, raast het verkeer met grote snelheid langs.
Ik heb hier al eens een kind gezien, zittend op de stoeprand met een IPad. Eigenlijk triest, want het zou moeten rennen, spelen, bewegen.
Ouders zijn ook vaker bang, terecht of niet, om hun kind uit het oog te verliezen.
Deze muurschildering in Amsterdam, vlakbij een tamelijk grote speelplaats, brengt misschien weer oude tijden terug. Want er is toch niets leukers dan lekker buiten te spelen?
 

 

Nostalgie

Als we naar de markt gaan, gaan we meestal ook naar de kerkbazaar.
En deze week lag, in de allereerste doos die ik zag, het Muizenboek.
Dat heb ik als kind zo vaak gelezen, dikke tranen om gehuild en in angst gezeten of het ooit weer goed zou komen met die arme muisjes. En daar lag het weer. Helemaal zoals ik me herinner, een beetje verfomfaaid, met losse blaadjes, maar nog verder helemaal intact.
En voor 50 eurocent laat je dat niet liggen. Eerst moet het gerepareerd worden en dan gaat het bij de andere boeken, op de zolder. Om zo nu en dan nog eens terug te lezen.
 

 

When I’am sixty-four

Ik hoef het niet te vragen, want ik weet het zeker. Ook al ben ik vanaf nu 64 jaar oud, Leo zorgt nog steeds prima voor me en dat blijft ie ook doen! En ik natuurlijk voor hem, dat spreekt.

Maar dit liedje is nog steeds zo leuk, dat draaien we dus vandaag….

Afscheid

Hoe ouder je wordt, hoe meer mensen je ontvallen. En elk afscheid heeft zijn eigen sfeer. Deze week moesten wij afscheid nemen van een lieve oud-collega en bij een van de toespraken werd een gedicht van Jan Prins geciteerd.

Zoekend naar de tekst op internet, kwam ik dit filmpje tegen van Frits Bom, die er zijn eigen interpretatie aan gaf. Een pure liefdesverklaring aan Rotterdam, die mijn collega vast ook had gewaardeerd:

 

 

Place Pigalle

Via de Squeezebox (internetradio) hoor je soms heel oude liedjes, die alleen nog maar op 78-toeren zijn uitgegeven. Vooral de franse nostalgische zenders hebben heel vaak van dit soort chansons. Als je geluk hebt, staat op het kleine schermpje wie en wat er ten gehore wordt gebracht.
Zoeken op YouTube leverde dit op:

Ook na al die jaren klinkt het toch nog fris en vrolijk.

Levertraan

Omdat het Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam 150 jaar bestaat, vroeg de Oud-Rotterdammer om herinneringen op te schrijven.
En hoewel ik toen pas drie jaar was, herinner ik me daar nog wel iets van. Met name mijn ervaring met het innemen van levertraan.
Dus stuurde ik mijn stukje in en verwachtte dat het tussen de gewone ingekomen post zou staan. Maar nee, het had de hoofdredeacteur behaagd mijn stuk apart en in zijn geheel te plaatsen, met een illustratie.
Ach, ik ben altijd al een laatbloeier geweest, dus misschien komt mijn schrijverscarrière nu pas echt op gang 😉 Maar natuurlijk ben ik echt wel een beetje trots, dus publiceer ik het stuk hier ook nog eens:

Levertraan
In 1952, ik was toen drie, moest ik worden opgenomen in het Sophia Kinderziekenhuis aan de Gordelweg.
Mijn moeder had al lang gedacht dat ik iets onder de leden had, maar de dokter vond dat ze zich zorgen om niets maakte. “Dit is een tenger poppetje, niet die stevige andere dochter van u”, gaf hij te kennen. Nou was mijn enige zus 18 jaar ouder, en dat is nogal een verschil. Tja, daar stak die magere driejarige schriel tegen af.
Maar toen de huisarts op vakantie was, rook mama haar kans. De vervanger liet me testen. Binnen no-time was er geen twijfel mogelijk. Ik had TBC, nog wel in een beginstadium, maar toch. Van alle commotie hierom herinner ik me niks meer. Wel dat ik onmiddellijk moest rusten. En hoewel ik nog maar klein was, kan ik me die dag wél herinneren. Dolgelukkig was ik, omdat ik met knuffel in mijn bedje mocht gaan liggen.
En om aan te sterken moest ik levertraan slikken. Bah, de lucht alleen al stond me zo tegen. Als mama de fles pakte, begon ik al te kokhalzen. Of ze me nou lief, boos, of quasi zoetsappig behandelde, niets kon me over halen dat smerige spul in te nemen. Daar begreep de huisarts helemaal niets van. Had moeder dan helemaal geen gezag?
Maar de rust thuis bleek niet voldoende, ik moest naar het Kinderziekenhuis aan de Gordelweg. En daar zouden ze wel raad weten met zo’n klein tegendraads mormeltje. De eerste avond meteen na het eten (dat ik natuurlijk had laten staan) stond de zuster opeens voor me. Ik herinner me vaag een groot stijf wit schort over een enorme boezem, een ernstig gezicht en een sonore basstem. “Zo, nu nog even een lepeltje levertraan!” De lepel kwam met vaste hand richting mijn mond. Ik klemde mijn lippen op elkaar en was absoluut niet van plan ook maar een druppel van dat vunzige goedje tot me te nemen. Maar ja, zuster had daarmee wel ervaring. Met haar vrije hand kneep ze hardhandig mijn neus dicht. Al snel kreeg ik het benauwd, moest wel even naar adem happen. Dat was het moment, waarop de zuster had gewacht. Behendig schoof ze de lepel in mijn mond en liet mijn neus los. “En nou meteen doorslikken!”, gebood ze met strenge stem. Met alle boosheid van een opstandige driejarige spoog ik met kracht de levertraan weer uit. Recht in haar gezicht. Spetters vettige troep dropen over haar schort en de ranzige lucht kwam in mijn neus. Ik kokhalsde en walgde van de vettige smaak in mijn mond.
Resoluut draaide zuster zich om. Het was de eerste maar ook de laatste keer dat ik levertraan te slikken kreeg. Al op de eerste dag was ik veroordeeld tot een hopeloos geval. Voortaan kreeg ik vitamine A-D druppels. Die smaakten ook niet lekker, maar dat waren er maar een paar. Niet de moeite om ze uit te spugen. En later, toen ik weer thuis was, maakte moeder het zich gemakkelijk en deed ze op een lepeltje suiker. Dat nam ik zonder tegenstribbelen.
Ik moet aan de Gordelweg op een zaal op de begane grond gelegen hebben. Want elke avond stond voor het raam de schoonvader van mijn zus en zwaaide naar me. Hij kwam op zijn Solex-brommertje en met zijn leren jas aan altijd even kijken hoe zijn oogappeltje het maakte. Het zal wel het hoogtepunt van de dag geweest zijn, want ik geloof niet dat er veel te doen was. Ik was te klein voor school, er was weinig speelgoed en ik denk niet dat ik mijn bedje uit mocht.
Drie maanden later werd ik door mijn moeder opgehaald. Niet om naar huis te gaan, maar om naar het Zeehospitium in Katwijk te worden gebracht. Maar dat is een heel ander verhaal, dat ik al eens hier heb gepubliceerd