
Wat kan ik daar nou nog aan toevoegen?
Niks toch….?

Wat kan ik daar nou nog aan toevoegen?
Niks toch….?
Dit gedicht moest leren op school. Er bleef niet veel van hangen. Behalve de eerste zin van het tweede couplet. Toen hoorde ik het op de radio, voorgelezen door Jacques Klöters en stond de complete tekst op Facebook. Nu hoef ik het nooit meer te vergeten.

AFSLUITDIJK
De bus rijdt als een kamer door de nacht
de weg is recht, de dijk is eindeloos
links ligt de zee, getemd maar rusteloos,
wij kijken uit, een kleine maan schijnt zacht.
Vóór mij de jonge pas-geschoren nekken
van twee matrozen, die bedwongen gapen
en later, na een kort en lenig rekken,
onschuldig op elkanders schouder slapen.
Dan zie ik plots, als waar ’t een droom, int glas
ijl en doorzichtig aan de onze vastgeklonken
soms duidelijk als wij, dan weer in zee verdronken
de geest van deze bus het gras
snijdt dwars door de matrozen heen.
Daar zie ik ook mezelf. Alleen
mijn hoofd deint boven het watervlak
beweegt de mond als sprak
het, een verbaasde zeemeermin
Er is geen einde en geen begin
aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden,
alleen dit wonderlijke gespleten lange heden.
M.Vasalis (ps. M.Droogleever Fortuyn – Leenmans 1909-1998)
uit: Parken en woestijnen. Amsterdam: Van Oorschot, 1940

In deze tijd van digitale documenten en e-mail zal niet iedereen deze rolletjes meer kennen. Maar de meeste van mijn leeftijdgenoten herkennen dit natuurlijk meteen. Een inktlint, dat zorgde voor de letters op het papier in je schrijfmachine.
Dat apparaat waar ik nu op zit te tikken bewaart al mijn verhaaltjes in zijn binnenste. Maar vroeger tikte je op een schrijfmachine waar geen elektriciteit aan te pas kwam. Zo’n lint was natuurlijk altijd op het meest vervelende moment op.
Bij een zuinige werkgever waren de letters dan nauwelijks meer te lezen. En dan moet je dus eerst het oude lint eruit wurmen en het nieuwe erin. Vieze vingers, beduimeld papier en mijn humeur zakte ver onder nul. Later kwamen er elektrische typmachines, met inktcassettes.
En ja nu, hebben we helemaal niks meer van dat soort ergernis. Je print slechts dt wat je echt nodig hebt, met plaatjes en zelfs in kleur.
Alleen, digitaal heeft ook zijn nukken. Daar kan ik nog wel een ander blog over schrijven.

Ik moet me wel erg vergissen als de makers van “The Godfather” deze poster in gedachten hadden. Maar dan niet voor het helen van wonden, maar voor heel wat griezeliger zaken.
Dat Pratt’s Healing Ointment is voor alles geschikt, voor mens en dier, voor snijwonden, schrale billen van te lang op het zadel zitten, brandwonden. Nou gewoon, voor alles. Een wondermiddeltje dus.
Zou het nog te koop zijn? Geen idee….!
Het ruikt vast niet zo lekker…. Ik gok op een stalluchtje.
Het sneeuwt in Nederland en alle alarmen ratelen, knipperen. Al het nieuws draait rondom de verschrikkelijke sneeuw, de gladde straten.
Het OV ligt op z’n kont, want de treinen kunnen niet rijden, de bussen glijden van de weg en de auto’s ook. We moeten dus maar thuiswerken, raadt Rijkswaterstaat. En dat terwijl we nu beschikken over allerlei handige en verwarmende snufjes. Een moderne auto piept bij elke abnormaliteit, geeft een seintje als je te ver naar links of rechts gaat, heeft zelfs een technisch trukje voor als het glad is en je weg wil rijden. Maar dat werkt wel op modder, maar niet op sneeuw!! Op Schiphol loopt alles in het honderd, want er is een tekort aan anti-ijsmiddel.

En ik vraag me af, hoe deden we dat vroeger? In de barre winter van 1963 zat ik op de MULO. De tram reed, de school was open, er waren voldoende kolen voor de grote kachel in het handwerklokaal. Elke dag was er eten, kookte mijn moeder.
Mijn vader, huisschilder, was “uitgevroren”. Maar hij bleef niet thuis, hij ging de bakker of de melkboer helpen, die met moeite het holletje aan het einde van de straat op konden met hun handkar. Want brood en melk moest er wel bezorgd worden.
In mijn slaapkamer stonden de ijsbloemen op de ruiten. Op mijn bed lagen wollen dekens en ging een rubberen kruik mee. Een vriestemperatuur van -10 was niet ongebruikelijk. Je trok een extra trui aan, deed een sjaal om. Maar we hadden natuurlijk geen thermo-ondergoed of gewatteerde kleding, zoals dat nu te koop is.
Nee, als ik nu naar Nederland kijk, zie ik een beetje zielig volkje. Vastgeroest in regels en procedures, niet meer in staat om zelf oplossingen te bedenken. Een volk van Jan Salie, zou Potgieter zeggen.
Niet zelf bedacht, maar eerlijk gejat van Facebook.

The Blue Bells, dat waren vrouwen die dansten in cabarets. Er hing een beetje de geur van “oh la la” en stiekem om heen. Nou ja, dat was in de jaren 60 zo. Nu vinden we dat allemaal niet meer zo spannend. En die vrouwen zijn gewoon werkende dames met mooie benen. Mannen van nu zien op internet meer moois langs komen, toch….?
Maar in 1965 was dat dus anders. En zong Toon Hermans er over. En na 60 jaar is het nog steeds leuk om te zien, te genieten van de timing en de humor. Dit blijft gewoon altijd leuk.
We hebben het vast allemaal wel eens. Dat je je verbijt om iets. Om pijn, om woede, om verdriet, van zenuwachtigheid.

Maar dat je daar nu een ketting voor kunt kopen….? Ik dacht meteen aan zo’n ouderwetse bijtring voor baby’s. Maar dit is iets voor volwassenen.
Ik vraag me dan meteen af, moet je zoiets elke dag om. Want verbijten doe je natuurlijk niet elke dag. Dat gebeurt onverwacht, toch? Gewoon boos, verdrietig, nerveus of chagrijnig worden kan ook.
Hebben we tegenwoordig dan overal een hulpmiddel voor nodig?

Weinig steden zijn zo geordend als het stadje Granmichelle in Italië. Daar moeten in het verleden heel veel mensen gewoond hebben die van orde en regelmaat houden.
Rondom een mooie zeshoek werden steeds in een vast patroon huizen gebouwd.
Het geeft een prachtig gezicht van bovenaf. En dat kunnen we nu goed bekijken met Google Earth.
Zouden de bouwers van toen dat al bedacht hebben? Of is het gewoon toeval dat er zoveel structuur in zit?

Er is helemaal geen speciale reden om nou juist deze foto van wasgoed aan een lijn te kiezen.
Zomaar een huis in Burano, bij Venetië, fris gekleurd. Met een vliegengordijn, planten in potten en kleding aan de waslijn.
Ik vind hem gewoon superleuk en kleurig. Alk er naar kijk, maakt het mijn dag vrolijker.
En wie wil er nou niet een beetje opgevrolijkt worden in deze soms zo sombere dagen.