Ik moet me wel erg vergissen als de makers van “The Godfather” deze poster in gedachten hadden. Maar dan niet voor het helen van wonden, maar voor heel wat griezeliger zaken.
Dat Pratt’s Healing Ointment is voor alles geschikt, voor mens en dier, voor snijwonden, schrale billen van te lang op het zadel zitten, brandwonden. Nou gewoon, voor alles. Een wondermiddeltje dus.
Zou het nog te koop zijn? Geen idee….!
Het ruikt vast niet zo lekker…. Ik gok op een stalluchtje.
Nog steeds heeft Cruyff gelijk: Elk nadeel hep se voordeel. Want nu we zuchten onder de winterse sneeuw ontluikt ineens iets wat we in een stadse omgeving als Rotterdam niet zo snel zien.
De buren trekken zich het lot van ouderen en mensen in mindere omstandigheden aan. Zo heeft onze buurman al twee keer ons tuinpad schoon geschept en belde een buurvrouw of ze boodschappen kon halen. Even later stond ze op de stoep met een pak melk, dat ik vergeten had in de boodschappenkar te leggen.
Ook in de buurtapp vragen diverse bewoners nu regelmatig of er nog boodschappen nodig zijn.
Gaan wij er helemaal niet meer op uit? Ja wel hoor, je laat tenslotte je buren niet sjouwen met een hele kar vol. Die gaan we wel weer zelf halen. Met de auto en natuurlijk voorzichtig rijdend.
Trouwens, woensdagochtend, toen iedereen aangeraden werd niet de weg op te gaan, stond Leo al om 8 uur de auto van sneeuw te ontdoen. Hij had de dag tevoren alles al sneeuwvrij gemaakt, maar de buien in de nacht deden dat weer te niet.
Hij had in november al een afspraak met de dealer gemaakt voor een beurt en de noodzakelijke APK-keuring. Die keuring moest gebeuren en konden we niet uitstellen. Wie rekent er dan toch op zoveel sneeuw?
Alle angstverhalen bleken een tikkie overdreven. Leo kwam veilig bij de dealer aan, liep daarna naar de metrohalte en kwam vanaf het winkelcentrum rustig wandelend en onderweg fotograferend tegen koffietijd weer terug. Taaie generatie, nietwaar?
Het sneeuwt in Nederland en alle alarmen ratelen, knipperen. Al het nieuws draait rondom de verschrikkelijke sneeuw, de gladde straten.
Het OV ligt op z’n kont, want de treinen kunnen niet rijden, de bussen glijden van de weg en de auto’s ook. We moeten dus maar thuiswerken, raadt Rijkswaterstaat. En dat terwijl we nu beschikken over allerlei handige en verwarmende snufjes. Een moderne auto piept bij elke abnormaliteit, geeft een seintje als je te ver naar links of rechts gaat, heeft zelfs een technisch trukje voor als het glad is en je weg wil rijden. Maar dat werkt wel op modder, maar niet op sneeuw!! Op Schiphol loopt alles in het honderd, want er is een tekort aan anti-ijsmiddel.
Bron: Google fotos / Historiek
En ik vraag me af, hoe deden we dat vroeger? In de barre winter van 1963 zat ik op de MULO. De tram reed, de school was open, er waren voldoende kolen voor de grote kachel in het handwerklokaal. Elke dag was er eten, kookte mijn moeder.
Mijn vader, huisschilder, was “uitgevroren”. Maar hij bleef niet thuis, hij ging de bakker of de melkboer helpen, die met moeite het holletje aan het einde van de straat op konden met hun handkar. Want brood en melk moest er wel bezorgd worden.
In mijn slaapkamer stonden de ijsbloemen op de ruiten. Op mijn bed lagen wollen dekens en ging een rubberen kruik mee. Een vriestemperatuur van -10 was niet ongebruikelijk. Je trok een extra trui aan, deed een sjaal om. Maar we hadden natuurlijk geen thermo-ondergoed of gewatteerde kleding, zoals dat nu te koop is.
Nee, als ik nu naar Nederland kijk, zie ik een beetje zielig volkje. Vastgeroest in regels en procedures, niet meer in staat om zelf oplossingen te bedenken. Een volk van Jan Salie, zou Potgieter zeggen.
“Het dorp” van Wim Daniëls. Een boek over hoe het was, vroeger in de dorpen, hoe het steeds vaker anders wordt. De nieuwe tijd, net wat u zegt.
Kleine dorpen, waar het leven rustiger is dan in de stad. Waar mensen elkaar kennen, groeten, helpen. Waar nog met paard en wagen werd gereden en dan, langzamerhand de auto en landbouwmachines hun intrede doen.
En de ruilverkaveling zorgt voor nog een grotere verandering. TV en telefoon geven het laatste zetje.
De welvaart wordt groter, het sappelen om het bestaan verdwijnt. Maar ook de gemeenschapszin wordt anders, minder hecht.
De onontkoombare veranderingen brengen het dorpsleven in een andere stemming. Wim Daniëls schrijft er uitgebreid over, met liefde en kennis. Maar soms ook wat al te uitvoerig. Dat maakt dat ik stukken in het boek soms oversloeg.
Voor vanavond heb ik een programma in de TV-gids aangestreept, want dat wil ik absoluut bekijken.
In “Onbekend en wereldberoemd” gaan journalist Sinan Can en Pieter Roelofs, hoofd beeldende kunst van het Rijksmuseum, op zoek naar werk van de gebroeders van Lymborch.
Nooit van gehoord? Toch waren Herman, Paul en Johan van Lymborch al in de vijftiende eeuw wereldberoemd. Zij werkten eerst voor Filips de Goede, die een fijne neus had voor schoonheid. Al in de 15e eeuw was hun roem hen vooruit gesneld. Hun werk is dus al heel erg oud, erg kwetsbaar maar gelukkig nog wel bewaard gebleven.
Later gaf de Duc de Berry hun opdracht voor het befaamde boek “Les Très Riches Heures du Duc de Berry” verluchtten met ongekend mooie tekeningen, versierde randen en miniaturen.
Helaas zijn de werken slecht sporadisch te bekijken. Te kwetsbaar, te waardevol. Eén keer bezocht ik een tentoonstelling in Het Valkhof in Nijmegen en ook op de tentoonstelling “Bourgondiërs”in Venlo was wat werk te zien. Op de tas van die tentoonstelling staat een afbeelding uit die “tres riches heures”.
Maar nu komt er een vierdelige serie op de TV. En die wil ik dus voor geen goud missen.
Net als in voorgaande jaren begin ik de week met muziek. Met gezellige, vrolijke of sentimentele liedjes in het Nederlands of in andere talen. Misschien herken je er een of zijn ze helemaal nieuw en fris. Het uitzoeken brengt mij veel plezier en ik hoop dat jij ze ook met genoegen beluisteren zal.
Natuurlijk draai ik dit jaar weer muziek van Charles Aznavour, mijn idool. Deze keer zingt hij in het Spaans, niet logisch want dit chanson gaat over Venetië. Zo mooi, zo romantisch, maar zo triest als je alleen blijft.
The Blue Bells, dat waren vrouwen die dansten in cabarets. Er hing een beetje de geur van “oh la la” en stiekem om heen. Nou ja, dat was in de jaren 60 zo. Nu vinden we dat allemaal niet meer zo spannend. En die vrouwen zijn gewoon werkende dames met mooie benen. Mannen van nu zien op internet meer moois langs komen, toch….?
Maar in 1965 was dat dus anders. En zong Toon Hermans er over. En na 60 jaar is het nog steeds leuk om te zien, te genieten van de timing en de humor. Dit blijft gewoon altijd leuk.
Elk jaar zoeken we twee kalenders uit. Eén voor in de keuken, één voor in de hal.
Dit jaar is het onderwerp van de halkalender “reizen”. Twaalf vintage reisposters zullen de komende maanden aan de meterkast hangen.
In de keuken kunnen we 365 dagen de dag beginnen met een lach. Tenminste, we hopen dat Toos en Henk daarvoor gaan zorgen.
Soms ontdekken we zo’n mooie kalender op vakantie of valt ons oog erop in een winkel. Tegen onze gewoontes in bestelden we dit keer beide kalenders via internet. Want helaas, de boekwinkel is al weer een tijdje verdwenen van het winkelcentrum. Dus dan moet je wel…!
Alweer is er een jaar om. Voor ons liggen 365 dagen die gevuld moeten worden. Met leuke en nare dingen, onverwachte zaken en afspraken die al lang te voren zijn gemaakt. Met wensen, die wachten om vervuld te worden.
Iedereen hoopt op gezondheid voor zichzelf, kinderen, familie en vrienden.
Maar misschien is de grootste wens op dit moment wel rust en vrede in de wereld.
Laten we hopen dat de wil om vrede sterker is dan alle oorlogsretoriek.
Ik wens iedereen een fijn, gezond en vredevol 2026