Een gedicht van Willem Wilmink voor zijn stad Enschede

Het is het eindpunt van de trein,
bijna geen mens hoeft er te zijn,
bijna geen hond gaat zover mee:
Enschede.
De burchten van de nijverheid
staan er nog her en der verspreid:
spelonken, hol en afgeleefd,
waar nu de wind vrij spel in heeft.
Textielbaronnen van weleer,
hun jachtgebied bestaat niet meer.
Waar zouden ze gebleven zijn,
Van Heek, Ter Kuile, Blijdenstein?
Hebben ze kinderen voortgebracht,
hebben ze hier nog nageslacht,
of koos dat snel een betere stee
dan Enschede?
Krim, Berkenkamp, Sebastopol,
het is voorbij. De maat is vol.
Bijna geen heeft hier nog weet
van uw gelatenheid, uw leed.
Dwars door het uitgeteerde hart
loopt nu de kale boelevart
met postkantoor en V&D.
O, Enschede, Enschede.
Willem Wilmink (1936 – 2003)

Ik weet nog dat ik jaren geleden het Trekvogelpad liep met een groepje vrouwen, 414 km lang, van Bergen aan Zee naar Enschede. Een keer in de maand een weekend. Maanden over gedaan en toen kwamen we aan in Enschede. Wat een anti-climax. Dat was werkelijk: Enschede, wat moet je ermee.
Dat is niet zo complimenteus voor Enschede moet ik zeggen….
Enschede heeft een paar goede musea: het rijksmuseum Twente en de Fabriek (in een oude textielfabriek). Ook de synagoge is een aanrader, echt prachtig. Men zegt dat het de mooiste van Europa is. Maar verder vond ik de stad ‘mwah’.
Wat heeft hij veel mooi en vaak humorvol werk gemaakt!
In gehaald door de historie… wat moet je daar nou mee
Mooi gedicht! En nu is V&D er ook allang niet meer.