
Ergens in de zomer kwam hij, de kolenboer. Of het warm was of niet, of het regende…. het maakte niet uit. Hij sjouwde de zakken met kolen naar de zolder. 50 kilo ging op z’n schouder de 3 trappen op.
Mijn moeder had de loper al afgenomen. In een hoek van de kamer lag een stapel koperen roetjes die gepoetst moesten worden.
De kolenboer was voor mij een griezelige man. Met z’n zwarte gezicht, een zak over z’n haar.
Hij bleef altijd even zitten, kreeg een bakkie koffie of thee en maakte een praatje met m’n moeder. Want in het gewone leven was hij “oom Thomas”.
Niks griezeligs aan, een bekende en aardige man met een waterstokerij in het noorden van de stad. En al jaren bevriend met mijn vader. We gingen er regelmatig op bezoek en ook hij kwam met zijn vrouw bij ons over de vloer.
Maar als kolenboer herkende ik hem niet en leek hij een totaal ander mens.

De kolenboer herinner ik me nog vaag. Wij hadden een kolenhok achterin de schuur. Ik herinner me ook nog de kolenkachel met de mica ruitjes. Maar wat een waterstokerij was, heb ik even moeten googlen.