Dit gedicht moest leren op school. Er bleef niet veel van hangen. Behalve de eerste zin van het tweede couplet. Toen hoorde ik het op de radio, voorgelezen door Jacques Klöters en stond de complete tekst op Facebook. Nu hoef ik het nooit meer te vergeten.

AFSLUITDIJK
De bus rijdt als een kamer door de nacht
de weg is recht, de dijk is eindeloos
links ligt de zee, getemd maar rusteloos,
wij kijken uit, een kleine maan schijnt zacht.
Vóór mij de jonge pas-geschoren nekken
van twee matrozen, die bedwongen gapen
en later, na een kort en lenig rekken,
onschuldig op elkanders schouder slapen.
Dan zie ik plots, als waar ’t een droom, int glas
ijl en doorzichtig aan de onze vastgeklonken
soms duidelijk als wij, dan weer in zee verdronken
de geest van deze bus het gras
snijdt dwars door de matrozen heen.
Daar zie ik ook mezelf. Alleen
mijn hoofd deint boven het watervlak
beweegt de mond als sprak
het, een verbaasde zeemeermin
Er is geen einde en geen begin
aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden,
alleen dit wonderlijke gespleten lange heden.
M.Vasalis (ps. M.Droogleever Fortuyn – Leenmans 1909-1998)
uit: Parken en woestijnen. Amsterdam: Van Oorschot, 1940

Een mooi gedicht, maar niet om van buiten te leren als je het niet zelf geschreven hebt.
Ja dat was zo. Ik moest ook een gedicht uit mijn hoofd leren. Niet voor Nederlands trouwens, maar wel voor Frans en voor Engels en voor Duits. En maar bidden dat ik het niet voor hoefde te dragen. Toch wel leuk achteraf. Ik ken ook nog gedeeltes van alle drie. Jouw gedicht vind ik mooi.