De passagiers van de Titanic waren niet allemaal rijk en welvarend. Niet iedereen had het geld om een luxe hut te betalen. Op de lagere dekken huisden de mensen die de minst comfortabele overtocht maakten. Bijeen gepropt, zonder al te veel sanitaire mogelijkheden, moesten ze zien te overleven. Hun bagage zat niet in luxe koffers en hoedendozen. Ze hadden schamele tassen en hun enige kleding was dat wat ze aanhadden.
Ook aan deze passagiers was gedacht bij de tentoonstelling in het Kunstmuseum. Maar wie maar één stel kleding heeft, draagt die tot het op de draad versleten is. Wat kapot is werd gerepareerd, versteld, opnieuw versteld en nog een beetje bijgewerkt. En dan is het alleen nog maar goed voor de lompenboer.

Wie in Den Haag met de tram naar het museum rijdt, komt door allerlei keurige buurten met fraaie huizen. Er lijkt geen plek voor armoe. Maar dan ineens wijst een mevrouw naar buiten en zegt tegen haar man: “Kijk, daar. Ze staan er weer”.
In een bocht staat een kraampje met wat mannen en vrouwen er omheen. Op de grond ligt kleding. Het bord ernaast geeft aan dat er jassen te krijgen zijn. Want ook in zo’n rijke gemeente wonen mensen die geen nieuwe jas kunnen betalen en dus leven moeten van “bedeling”.
In al die jaren is er nog niet eens zoveel veranderd in de wereld….
