Watersnoodramp 1953

In februari 1953 lag ik in het Zeehospitium in Katwijk. Dat het zo stormde hadden mijn ouders wel gehoord en gezien, maar over de watersnood hadden ze nog niets vernomen omdat ze geen radio luisterden omdat mijn opa die vrijdag was overleden. Maar toen mijn zus het hen vertelde, wilden ze wel meteen naar mij toe. Wat zouden ze daar aantreffen, hoe zou het met mij zijn? Ikzelf kan me van die dagen niet veel herinneren, maar moet verteld hebben dat we reuze pret hadden omdat het zo spookte die nacht. Kinderen zien alles toch vanuit een ander perspectief. Maar later kon ik me de angst van mijn ouders wel voorstellen.

Hoe erg het allemaal was, kun je hier in dit filmpje zien: (met dank aan Beeld en Geluid)

 

Murphy ging verder

Had ik vorige week al geschreven over Murphy’s wet, waarbij alles helemaal fout loopt. Vorige week ging het nog even door met pech hebben.
Omdat Leo’s tandkroon verloren was, kreeg hij voorlopig een noodkroon en een reeks afspraken voor de komende maanden. Maar al de eerste nacht werd hij wakker met een losse noodkroon in zijn mond. Gelukkig woont onze tandarts om de hoek, dus de volgende dag even terug laten plaatsen. Helaas, ‘s nachts weer hetzelfde. Dus moet er gezocht worden naar een andere oplossing. Een heel duur, lang en zeker geen pijnloos traject of de snelle manier van een tand op een plaatje.
Door alle malle capriolen die ik had gemaakt, kreeg ik  last van mijn rug. Dat heb ik al vaker gehad en dan weet ik best dat ik het een beetje rustig aan moet doen. Maar ja, theorie en praktijk…. Woensdagmorgen was de pijn niet meer te negeren en ging ik naar de huisarts. “Spit, mevrouwtje. Rustig aandoen en paracetamol slikken, dan moet het binnen 10 dagen over zijn”. Ik slikte gehoorzaam de tabletten en hoopte dat het snel gepiept zou zijn. Helaas, donderdagmorgen kon ik werkelijk geen kant meer op. Zitten, staan, liggen, lopen, elke beweging gaf een helse pijn. De dokter schreef een recept voor een morfine-achtig tabletje, dus heftig spul. Ook kon ik nog bij de fysiotherapeut terecht, die mijn rug tenminste iets losser kon maken. En ik legde hem uit hoe slecht dit akkefietje me uitkwam. Hij begreep het gelukkig en maakte ook vrijdag nog een afspraak.  Leo had inmiddels al tig keer geroepen dat “het hele feestje wel afgeblazen zou moeten worden”, waarop ik niet al te vriendelijk reageerde en bezwoer dat ik, desnoods leunend op een stok, alles wilde laten doorgaan. Gezellig sfeertje dus 😉
Door de spit had ik niet meer zo’n controle over mijn linkerbeen, zodat ik vaak zwikte. Dus toen ik donderdagavond, met twee flessen bubbelwijn, languit in de hal ten val kwam, kwam ook voor mij het feest op nogal losse schroeven te staan. In ieder geval werd het etentje met de kinderen afgeblazen en lieten we vrijdagavond de buurtchinees bezorgen.
Maar het echte feest ging toch door, al moest ik de regie vrijwel uit handen geven. Weliswaar liep ik moeilijk op “ouwetjes tempo” en stevig aan de arm van Leo. Nu gaat het gelukkig al wat beter, al ziet mijn linker enkel, rechter elleboog en dijbeen bont en blauw.

Oh ja, en wat vond Leo zaterdagmorgen onder de badmat? Zijn kroon, die dus helemaal niet weggespoeld was. Ach ja, als je alles van te voren weet, kom je met een halve Euro de wereld door….

Kuren in Katwijk

Een blogje van Bettie maakte bij mij ook herinneringen los. Nou ja, flarden van herinneringen, want ik was drie jaar toen ik naar Katwijk ging om daar in de frisse zeelucht te genezen van TBC. Veel is dus zeer wazig. Maar dit herinner ik me nog wel.

Mama bracht me we, in een taxi. De rit leek eindeloos te duren en dat zei ik ook. Mijn moeder zei me dat het voor mijn eigen bestwil was. Thuis, waar ik al drie maanden “gekuurd” had, zou ik niet beter worden. De zeelucht en veel buiten zijn, daarvan zou ik opknappen. Van het afscheid weet ik alleen nog dat mijn moeder huilde. Maar nadat ze weg was, voelde ik me al snel thuis in het zeehospitium. en dacht ik er niet eens meer over na dat ik zo ver weg was. Ach kinderen zijn flexibeler dan volwassenen denken.

En er mochten daar dingen die thuis absoluut verboden waren. Zoals een teil zand in je bed, om lekker mee te spelen. Je mocht knippen, kleuren, knutselen.

Elsje Fiederelsje

Elsje Fiederelsje

En er was altijd wel iemand om mee te keten, want we lagen met zes (of acht??) andere kinderen op zaal. We vonden altijd wel iets geks te doen. Goed, je moest je eerst los wurmen, want je zat in bed vastgebonden. Maar had je dat voor elkaar gebracht, dan kon je de grote spinnen pakken en ze de poten uittrekken. Een voor één, die dan op je laken bleven bewegen. Nu onbegrijpelijk, maar we vonden het toen het toppunt van lol.

En natuurlijk probeerde we de verpleegsters uit. Sommige waren niet kwaad te krijgen, maar anderen… En dan verzin je heel gekke dingen. Continue reading